Jan Brokken begint zijn portret van Pärt in zijn boek Baltische zielen met een treffende anekdote uit de jeugd van de componist. Hij bezoekt het noordelijke en deprimerende dorp Rakvere, waar de Est als jonge tiener in de vrieskou eindeloze rondjes fietste op het plein. Daar schalde rond die tijd geen communistische propaganda uit de luidsprekers, zoals anders, maar muziek van Rimski-Korsakov en Tsjaikovski.
Pärt werd onweerstaanbaar aangetrokken door die klanken. Hij moest en zou luisteren en dus trotseerde hij de winterse kou. Maar om niet te bevriezen, moest hij in beweging blijven, dus pakte hij zijn fiets en zagen dorpelingen de zonderlinge jongen in die donkere voor kerst altijd over het dorpsplein rijden.