In zijn latere jaren was Sjostakovitsj steeds vaker ziek. Er werd toegewijd voor hem gezorgd door zijn derde vrouw, Irina. Hij was inmiddels een gevestigd componist, maar zijn creatieve projecten werden desalniettemin steeds persoonlijker. Hij schoof de symfonieën en de filmmuziek die voor het brood op de plank zorgden steeds vaker aan de kant, en richtte zich meer op kamermuziek en liederen. Hij schrijft in steeds helderder, maar tegelijkertijd ook raadselachtiger muzikale taal. Hij laat zich hierbij inspireren door precedenten van onder meer Schönberg en Britten, evenals door het werk van zijn vele compositieleerlingen.
Zijn Veertiende Symfonie (1969) is een liedcyclus die doet denken aan Brittens werk, en is ook opgedragen aan de Britse componist. De Vijftiende (1971) grijpt terug naar de excentrieke kleur van zijn vroege werken. Het is een meditatie over de betekenis van het leven, de dood en de lange muzikale traditie en citeert Rossini, Wagner en zijn eigen werk. Zijn Achtste Strijkkwartet (1960) is in dat opzicht meer obsessief. Verschillende fragmenten uit andere werken zijn samengesmolten met eindeloze citaten van zijn persoonlijke monogram: D-S-C-H (in noten D-Es-C-B). Zijn latere kwartetten zijn heel anders, de Vijftiende en laatste (1974) is bijvoorbeeld een sombere opeenvolging van alleen maar langzame delen.