Londen is niet rijp voor zijn Messiah. De enkele keer dat hij het programmeert, blijven de zalen leeg. De koning komt wel luisteren en is zo ontroerd door het Hallelujah, dat hij gaat staan en pas weer terug in zijn stoel zinkt als de laatste klanken ervan zijn weggestorven. Maar de predikanten schilderen Händel af als een heiden.
Zelf blijft de componist van zijn oratorium houden. Waarom de Messiah hem zo aan het hart gaat, blijkt als hij na een uitvoering een compliment krijgt van Lord Kinnoul. ‘Ik dank u voor het nobele vermaak dat u Londen schenkt’, zegt de edelman. ‘Het zou me spijten als ik het publiek alleen geamuseerd heb’, antwoordt Handel, ‘ik wil ze betere mensen maken.’