‘Dat moet je zingen’, zei de bibliothecaresse tegen de kleine jongenssopraan. Koopmans vader belde voor de zekerheid eerst met de pastoor of hij zijn zoon mocht laten meedoen aan zo’n door en door calvinistische traditie. ‘Gelukkig deed de pastoor daar niet moeilijk over. Het was een overrompelende ervaring met een groot orkest en een massaal koor.
Persoonlijke ervaring
Sind Blitze, sind Donner, het geweld van klanken dat uit al die stemmen kwam, overdonderde me. Als jongenskoor zongen we alleen voor de pauze. Het was een flinke opdracht om al die koorknapen stil te houden, er werd behoorlijk geklierd. Maar enkelen van ons koor, onder wie ik, mochten in de zijbanken de rest van de Matthäus meemaken. Dat heb ik nooit vergeten. Niet alleen vanwege die luide koorpassages, maar ook door de manier waarop het verstilde Erbarme dich het lichaam binnendringt , door de aderen ruist om tenslotte het hart te bereiken. Bach was een fantastisch schilder en architect, de Michelangelo van de muziek. In de Matthäus bereikt hij in alle opzichten zijn artistieke top.’