Buitenstaander en grootmeester
‘Ik ben drie keer dakloos: ik ben een inwoner van Bohemen in Oostenrijk, een Oostenrijker onder Duitsers en een Jood,’ schreef Gustav Mahler. Dit gevoel een buitenstaander te zijn, in combinatie met een grote intelligentie en zijn uitzonderlijke talen, maakte hem een onrustig en zeer zelfkritische kunstenaar.
‘Een symfonie moet zijn als de wereld. Hij moet alles omvatten,’ zei hij tegen collega-componist Jean Sibelius. Mahlers symfonieën zijn dan ook grootschalige werken met immense filosofische thema’s: liefde en haat, vreugde in het leven en angst voor de dood, de schoonheid van de natuur, onschuld en bittere ervaringen.