Winterreise is geen opera, toch zie je de reiziger voor je. Mager en hoekig, met een gekwelde uitdrukking, dwalend door een kaal winterlandschap. In de concertzaal bestaat zijn verhaal enkel uit een stem en een piano, uit gedichten en klanken in een taal, het Duits, die voor de meeste luisteraars uitheems is. En toch begrijpt iedereen het. De eenzaamheid, de tocht, de gebrokenheid van het leven die zijn weerklank vindt in het ijzige landschap – het raakt een universele snaar. Schubert had als geen ander het vermogen om woorden te vertalen in klanken, om gevoelens plots tastbaar te maken. Trekt de jongeling door een diepe kloof, dan dalen en klimmen de noten mee. Het draaiorgel van Der Leiermann, het slotlied, weerklinkt spookachtig in de piano. Over dat slot wordt al eeuwen gedebatteerd. Is de orgelman de dood, of staat hij juist voor een nieuw begin – het einde van het rouwproces? Zoals met elk groot mysterie kun je met Winterreise twee kanten uit.