Vernieuwende opera
Binnen de opera was Strauss, net als zijn grote voorbeeld Wagner, een vernieuwer. Aan het begin van de twintigste eeuw lieten de eenakters Salome (1905) en Elektra (1909), beiden gebaseerd op het leven van een heldin met een psychologisch zeer complex karakter, het publiek geschokt achter. Vooral de scène waarin Salome het afgehouwen hoofd van Johannes de Doper kust baarde opzien. Maar ook de harmonieën die Strauss toepaste waren ongebruikelijk. Na deze twee revolutionaire composities begon de componist aan een lichter werk. Samen met dichter Hugo von Hofmannsthal, die ook het libretto van Elektra had geschreven, begon Strauss aan een opera die vrij veel weg had van Mozarts Le nozze di Figaro (‘Figaro’s bruiloft’).