‘Duitsers bezitten vier grote vioolconcerten’, zei de violist Joseph Joachim eens. ‘Het grootste en meest onbuigzame is van Beethoven. Dat van Brahms wedijvert ermee in zijn ernst. Het rijkste en verleidelijkste schreef Bruch. Maar het meest verinnerlijkte, het sieraad van het hart, blijft het concert van Mendelssohn.’ Een melodie in e-klein spookte door z’n hoofd, schreef de 29-jarige Felix Mendelssohn aan zijn vriend – en violist – Ferdinand David. ‘Het geeft me geen rust. Ik denk dat ik deze winter een vioolconcert voor je ga schrijven.’
Hij begon eraan, maar het kostte de componist nog zes jaar om het te voltooien. Maar toen had hij ook wat. Nergens is aan het concert af te horen dat het met horten en stoten, en soms vertwijfeling, tot stand kwam. Het bevat veel vernieuwingen, die grote invloed zouden uitoefenen op toekomstige concerten, zoals de bijna onmiddellijke entree van de viool, en het in elkaar overlopen van de drie delen alsof je water van de ene in de andere beker giet. Het was meteen een kaskraker.