Vanaf 1809 kreeg Beethoven meer vrijheid dan ooit. Een groep rijke bewonderaars gaf hem een jaarlijkse toelage, op voorwaarde dat hij in Wenen bleef. Daardoor hoefde hij niet langer in dienst te werken van een hof of kerk, maar kon hij schrijven wat hij zelf wilde. Die onafhankelijkheid hoor je terug in de muziek: Beethoven verkent nieuwe ideeën en verlegt grenzen in bijna elk genre.
Zijn Vioolconcert en Vijfde pianoconcert zijn grootser en meeslepender dan wat men tot dan toe kende. In zijn enige opera, Fidelio, klinkt de roep om vrijheid luid en duidelijk door — een thema dat nog altijd aanspreekt. De Missa solemnis combineert het verhevene met het menselijke, terwijl de Negende symfonie, met haar koor in het slotdeel, uitgroeide tot een van de meest iconische werken ooit. Tot op de dag van vandaag klinkt deze symfonie bij bijzondere en historische momenten.