De cello was van oudsher een dienend instrument, die met zijn baslijn het fundament legde waarop anderen – violisten, pianisten en zangers bijvoorbeeld – paleizen van virtuositeit konden bouwen. De Italiaanse barokcomponisten zagen wel iets in de cello als een solo-instrument, omdat het timbre zo dicht lag bij de menselijke stem, en daar hield men van in het land van de opera. In Frankrijk had je ook wat virtuozen op de voorvader van de cello, de viola da gamba, zoals Marin Marais, maar het bleef allemaal mager. Bach vond de cello kennelijk interessant, al is er veel discussie voor welke instrumentale variant hij zijn suites precies schreef. Sommige musici, zoals Belg Sigiswald Kuijken, beweren dat Bach ze componeerde – in elk geval zijn zesde – voor de zogenaamde violoncello da spalla, een schoudercello. Hoe dan ook, de Duitse meester deed waarin hij het beste was: het uitbenen van alle mogelijkheden die de cello bood. Bach was nooit geboeid door uiterlijk vertoon en virtuositeit, maar wilde muzikale thema’s of instrumenten tot in hun diepste wezen doorgronden.